V ans

With his eyes open his head is like a flood from which the words
flow more slowly. He’s drowning. The teardrops follow him.

 ‘Come, tell me what happened to you’.  No answer.
I look searchingly in his eyes. I ask him, ‘Are you awake?’
Do you see this hair, do you see these eyes? Hello, it’s  me,
the sister who’s been nursing you. My name is Ans’.

I receive no word in answer. He seems to be fighting
a mental war with language, trembling he spits out letters
I feel the pain of tongue and throat when touching something in panic,
 

and in his eyes his need wells up, oh, if only I could join my
coronary arteries with his spleen and show him without words that
I will be true and tender to him, this lamb in this foresaken void.

I cover him and lay compresses. Bite after bite I soothe with ointment.
The doctor comes into the room. ‘Ans, my sister, how fares the
injured party? Poison still sizzling in his veins?

Mosquitoes are tough creatures. A person can only hope
that the sickness gives up. Tend him well. And give him plenty to drink’.

If only he could stay with us.
He doesn’t even have a file.

All we know of him is his name, his blood Group
and that, in a far land, he has been plagued by mosquitoes

‘I’m so thirsty and, oh, how hot it is’. ‘My Hauser’.
Quietly, I lay a compress. ‘So who are you?’

Hauser looks back, uncomprehending. He coughs a little.
 ‘Oh, how red!’ And clutches wildly at his chest.

He tears the panels of his shirt apart
I think that he is hot from all the coughing, but no,
he opens his eyes fiercly, smashing torches through my head

thumps with all his might upon his breast. ‘Tend me!’

Oh, my head
It feels as though it were splitting.
I know a time in which my hair is singing
hear the scarlet sounds of the sitar player.

Close to home resounds the India in which my Hauser
hears voices. And once the game is over I feel troubled.

‘Yes, I’ll tend you’. Gardens are tended well

and in his eyes nothing replies.

I think that gardens will bring him unto me
Hair will take us home. That I will be in him.

Translated by Rosalind Buck

V ans

De ogen open lijkt zijn hoofd een vloed waaruit de woorden
trager schieten. Hij verdrinkt. De tranen zijn hem na.
‘Kom, en zeg me wat je overkwam.’ Hij zwijgt.

Ik kijk vol vlijt zijn ogen in. Ik vraag hem: ‘Ben je wakker?
Kun je deze haren, deze ogen zien? Dit ben ik dan,
de zuster die je heeft verpleegd. Mijn naam is Ans.’

Ik krijg geen woorden meer terug. Hij lijkt wel in zijn hoofd
een strijd met taal te voeren, trillend stoot hij letters uit.
Ik onderga de pijn van tong en hals die in paniek iets raken,

en in zijn ogen welt zijn nood op, o, ik zou mijn kransslagaders
met zijn milt verbinden willen en hem taalloos willen tonen
dat ik trouw en zacht hem toe zal doen, dit lam in deze harde leegte.

Ik dek hem toe en leg compressen. Bult na bult bestrijk ik met wat zalf.
De dokter komt de kamer binnen. ‘Ans, mijn zuster, hoe vergaat het
de gewonde? Sist het gif nog in zijn venen?

Muggen zijn een harde soort. Een mens kan enkel hopen
dat de ziektes staken. Berg hem goed. En geef hem vaak te drinken.’

Ach, ik wou dat hij mocht blijven.
Want hij heeft niet eens dossiers.

Al wat wij weten is zijn naam, zijn bloedgroep
en dat hij in een ver land door muggen is geteisterd.

‘Ik heb zo’n dorst en o, wat is het warm.’ ‘Mijn Hauser.’
Zwijgend leg ik een kompres. ‘Wie ben je toch?’ 

Hauser kijkt me niet begrijpend aan. Hij hoest een beetje.
‘O, wat rood!’ En ijlend grijpt hij naar de borst.

Hij trekt de panden van zijn hemd uiteen.
Ik meen dat hij benauwd van het hoesten is, maar neen,
hij opent woest de ogen, knalt met toortsen in mijn kop,
bonkt met al zijn vuistkracht op zijn bast. ‘Berg me!’

Ach, mijn hoofd.
Het voelt alsof het splijten zal.
Ik ken een tijd waarin mijn haren zingen,
hoor de rode klanken van de sitarspeler.

Dicht bij huis weergalmt het India waarin mijn Hauser
stemmen hoort. En eens het spel gestaakt, voel ik mij troebel.

‘Ja, ik berg je’. Bergen groeien hoog
en in zijn ogen antwoordt niets.

Ik denk dat bergen hem naar mij gaan brengen.
Haren ons naar huis. Dat ik in hem zal zijn.

Lies Van Gasse & Annemarie Estor, Hauser, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2013.