firebird

poetry is no attempt at attempting to mutter

what the unspeakably sensitive soul in solitary silence

cannot fathom about the unspeakable

of tranquil inland lakes

for those who sacrifice speech

will not sing

 

poetry is no single-copy comprehensible account no

screening of precluded conditions drawing clearness

in sharp and witted light because it curdles and clots and

nothing in your head is clearly dissected

who utters clarity is done uttering

and he will not sing

 

a daisy piece of furniture or soul of a child seen

like never seen before that is not the way of poetry

for shyly painting aquarelles is done by Sunday painters

not the sheer seething poet who sings at play

 

pimply provoking on a fly platform is not poetry

for poetry is not performance

amplified speech without electric sparks

shall splutter like a weak current

who has to borrow rhythm from a box hopes to sing

but he doesn’t sing

 

poetry is no lowly high mass for poetry

as the believer doesn’t believe for awe silencing him

who is carried falls

crashing glass resound for nothing resounding

who gapes and gabbles with the congregation

will not sing

 

hot-headed conspiracy in a revolutionary bar

where in gin vapours a seriously smoky j’accuse

against the lauded canon almost isn’t rejected

which though nice is not poetry

for true revolution eats its fathers doesn’t ignore them

but consumes and chews them till they become blood

and strong fibre to swat flies dead

that have heated debates over your supper

 

poetry is neither serious nor laugable for it is both

because the prophet brays the truth

tickled by camel hair

 

poetry is princely pottering in gotham city

while you guess at knives and fallen women

with prickly senses that entangle you in situations

and you say something stupid poetry is owlish-eyed

like the man of many manners

politely put it to the goddess that you come from crete

while on the way to hearth and her

you reef the sails for nymphs

 

poetry is putrid portamento with off-key counterpoint

by a lazy yobbish orchestra thinking of beer

is whole-heartedly giving the brush-off with a fox fur underarm

nimbly waltzing the hula

like a tuba underwater playing

solo pogo in the hall of mirrors

 

poetry is your pain in her tits while it’s raining on the canal

and you smile because there’s nothing to smile

 

poetry strains for him her patron saint

who darkly counters what is and denies light

because he forthright like the snake on cloven legs

with double creeping tongue means well with people

and mesmerises them with sweetly forbidden fruits

and knowledge of standing naked

she speaks smokily on three legs with the breath of sulphur

like a woman from the navel with the voice of the sun

singing ignorance in the truth of men

 

poetry is to fear with the greatest of fears in a sleepless cot

for you know not whether you are wrathful

or otherwise braying chew the rose and know you will manage

to speak like man and speaking like man

in dark catacombs invoke the most secret words

from the ancient tomes that the vertical

of the circle according to the golden section

pentagrammatically in the fifth essence becomes squarely

quadrangled and starts to breathe loamy on feet

poetry is dangerous or it isn’t poetry

 

poetry is daring to bray three times is crying

during a cartoon is drinking

without thirst while you know full well

that you must learn from mistakes

is haphazardly hooting sense is the hexadecimal

paso doble of the noodle-nut

 

poetry is man dreaming the dancing world and singing painful life

in the language of men

poetry is man

© translated by Willem Groenewegen

vuurvogel

poëzie is geen poging tot pogen te prevelen

wat de onuitsprekelijk sensibele ziel in eenzelvige stilte

denkt niet te vermoeden omtrent het onzegbare

van verstilde binnenmeren

want wie zich het zeggen ontzegt

zal niet zingen

 

poëzie is geen verstaanbaar verslag in eenvoud ingediend geen

doorlichting van ontbonden factoren die scherp en zinnig belicht

helderheid put want het klontert en het schift en

niets in jouw hoofd is helder ontleed

wie klaarheid zegt is klaar met zeggen

en hij zal niet zingen

 

een madeliefje meubelstuk of kinderziel zo zien

zoals het zelden is gezien zo is niet de poëzie

want bedeesd aquarelleren doen de zondagsschilders

niet de zuiver ziedende dichter die zich op het spel zingt

 

puistig provoceren op een popi podium is geen poëzie

want poëzie is geen performance

versterkte taal die niet elektrisch vonkt

blijft blubberen als zwakstroom

wie ritme uit een box moet lenen hoopt te zingen

maar hij zingt niet

 

poëzie is geen ootmoedige hoogmis voor de poëzie

want de gelovige gelooft niet of hij zwijgt van ontzag

wie gedragen is valt

glasgerinkel klinke of er klinkt niets

wie zich vergaapt en mummelt met de gemeente

zal niet zingen

 

heethoofdig samenzweren in een revolutionair café

waar in jeneverdamp een diep doorrookt j’accuse

tegen de gelauwerde canon bijna niet wordt verworpen

is mooi maar geen poëzie

want ware revolutie eet haar vaders op negeert ze niet

maar consumeert en kauwt ze tot bloed

en sterke vezels worden om vliegen dood te slaan

die verhit debatteren over je avondmaal

 

poëzie is niet serieus en niet om te lachen want het is beide

omdat de profeet die waarheid balkt

gekieteld wordt door kemelhaar

 

poëzie is prinsheerlijk pinkelen in gotham city

terwijl je messen vermoedt en gevallen vrouwen

met prikkende zinnen die je verstrikken in toestanden

en je zegt iets doms poëzie is uilogig

als de man van vele manieren

tegen een godin beleefd beweren dat je van Kreta komt

terwijl je op weg naar huis en haar

je zeilen reeft voor nimfen

 

poëzie is vuig portamento met vals contrapunt

van een lui baldadig orkest dat aan bier denkt

is volmondig met een vos onder de arm bruskeren

lichtvoetig de hoela walsen

als een tuba die onder water

solo pogoot in de spiegelzaal

 

poëzie is jouw pijn in haar tieten terwijl het regent op de gracht

en je lacht want er valt niets te lachen

 

poëzie taalt naar hem haar schutspatroon

die duister tegenspreekt wat is en licht ontkent

omdat hij het oprecht als een slang op gespleten poten

met dubbel kruipende tong goed voorheeft met mensen

en hen vervoert met zoet verboden vruchten

en kennis van naakt staan

zij spreekt doorrookt op drie poten met de adem van zwavel

als een vrouw uit de navel met de stem van de zon

zingend onbegrip in de waarheid van mensen

 

poëzie is vrezen met groten vreze in een slapeloos kinderbedje

omdat je niet weet of je vergramd hebt

dan wel balkend roos herkauwen en weten dat het lukken zal

te spreken als een mens en sprekend als een mens

in donkere catacomben de geheimste woorden

uit de oude boeken te bezweren dat het lood

van de cirkel volgend de gulden snede

pentagrammatisch in de vijfde essentie vierkant raakt

gequadrateerd en leem begint te ademen op voeten

poëzie is gevaarlijk of zij is geen poëzie

 

poëzie is drie keer durven balken is huilen

bij een tekenfilm is drinken

zonder dorst terwijl je heus wel weet

dat je van fouten moet leren

is krakkemikkig zin kramen is de zestienduidige

paso doble van de kronkelknar

 

poëzie is mens de dansende wereld dromen en pijnlijk leven zingen

in de taal van mensen

poëzie is mens    

© Ilja Leonard Pfeijffer, Het glimpen van de Welkwiek (Amsterdam, de Arbeiderspers 2001)

Poems