I’ve forgotten what it feels like to wear frog face paint

the way the paint dries in the sun and cracks when you smile

how I got scared

 

because I thought I was suddenly changing into a very old frog

 

I’ve forgotten what it was like to sit on my father’s shoulders

laying my hands on his head

as if to protect him

 

I’ve forgotten who was in my class, who had the most beautiful

pencil case, who I wanted to kiss first and who called me

 “fat as Africa”

 

I once forgot to bring my guinea pig in out of the sun and when

I went back into the garden he was lying there like a piece

of toast left to go black in the toaster

 

I’ve forgotten what I thought back then when I thought about death

 

I’ve forgotten so many names. I’ve forgotten the name

of the group leader at camp who insisted on twisting

my hair into a bun every single day

 

the name of the man who stitched up my head

after I fell off my bike in the rain, forgotten

why I pulled my sister’s hair

 

so often she had to get a hairpiece

 

I’ve forgotten why I stood on a stage

why all the people looked in the same direction

and I was the only one looking the other way

 

I’ve forgotten why as a child I masturbated

thinking of an enormously hairy Jesus, a bulge in his loincloth

I’ve forgotten everything from the second line of the song

 

I’m a little panda bear

 

I’ve forgotten what the gypsy with the highly mobile eyebrows

like dark veils read in the palm of my hand.  In other words I’ve forgotten

my future. I’ve forgotten how much I loved you

 

though I did write it down in a notebook

with my signature at the bottom

 

forgotten where exactly your lips crack in winter

and how you sleep like you’re in a comma, knees pulled up or stretched out

and then we’d fight over the sheets, how, in the bright light of Sevilla

our pupils contracted

 

and how I don’t forget what I’ve forgotten, it’s more that

what I’ve forgotten is what I think about most

 

like what my mother meant when I, still fat as Africa

and my guinea pig still soft, asked her why we said forgotten

and not forgetted like fretted, pirouetted and regretted

and that she, while folding the washing, mumbled

as if sliding the words in between my clothes:

 

forgetting is never regular

© translated by David Colmer

ik ben vergeten hoe het voelt om als kikker geschminkt te zijn

hoe de verf in de zon opdroogt en kraakt als je lacht

hoe ik dan bang werd

 

omdat ik dacht dat ik plots in een heel oude kikker veranderde

 

ik ben vergeten hoe het was om in de nek van mijn vader te zitten

mijn handen op zijn hoofd te leggen

alsof ik hem beschermde

 

ik ben vergeten wie er in mijn klas zat, wie de mooiste

pennenzak had, wie ik het eerst wilde zoenen en wie mij ooit

‘zo dik als Afrika’ noemde

 

ik ben eens vergeten mijn cavia uit de zon te halen en toen

ik terug in de tuin kwam lag hij daar, als een zwart geblakerd,

te hard gebakken stukje brood

 

ik ben vergeten wat ik toen dacht over de dood

 

ik ben zoveel namen vergeten. Ik ben de naam vergeten

van de leidster op Jommekeskamp die elke dag per se mijn haar

in een dotje wilde draaien

 

de naam van de man die na mijn val

in de regen met de fiets, mijn hoofd heeft gehecht, vergeten

waarom ik aan het haar van mijn zus trok

 

zo vaak dat ik haar aan een haarstukje hielp

 

ik ben vergeten waarom ik op een podium stond

waarom alle mensen dezelfde richting opkeken

en ik als enige, adersom

 

ik ben vergeten waarom ik als kind masturbeerde

denkend aan een felbehaarde Jezus, met zijn uitstulpend kruis

ik ben alles vergeten vanaf de tweede zin van het lied

 

ik ben een pandabeertje

 

ik ben vergeten wat de zigeunerin met haar zware beweeglijke wenkbrauwen

als vervaarlijk koffiedik in mijn handen heeft gelezen. Mijn eigen toekomst

ben ik dus vergeten. Ik ben vergeten hoeveel ik van je hield

 

ik had het nochtans in een boekje geschreven

met mijn handtekening eronder

 

vergeten waar de kloven in je lippen zitten in de winter

en hoe je slaapt of je in een komma lag, je knieën opgetrokken of uitgestrekt

en wij dan om de lakens vochten, hoe, in het felle licht van Sevilla

onze pupillen zich samentrokken

 

en hoe ik niet vergeet wat ik vergeten ben, meer nog

dat wat ik vergeten ben, daaraan denk ik nog het meest

 

zoals aan wat mijn moeder bedoelde toen ik, nog zo dik als Afrika

en mijn cavia nog mals, haar vroeg waarom vergeten

geen ‘ge’ krijgt zoals geslapen, gegeten en gedanst

en zij toen, terwijl ze de strijk opplooide mompelde

alsof ze de woorden tussen mijn kleren schoof:

 

vergeten wordt nooit voltooid

© Maud Vanhauwaert, Ik ben mogelijk (Amsterdam-Antwerpen, Querido 2011)