Daybreak

by Maria Barnas


Daybreak

A man a woman a length a breadth.

We speak. Take bearings on each other.

 

In this light I thought. At the moment when the house

is standing in front of the sun and we see

 

a flock of nervous birds break out of the throat

and burst into full-throated singing. We sing.

 

We sing of what we have come to call desperation

that got tangled in the bushes with the birds

 

unglimpsable and that showed itself to us

ever more bleakly only to end up as a low-wing

 

scorching lamp hanging above a table

with muttering children brimming over

 

with stories with beginnings and with a reason.

The trees bend down towards us.

 

They already knew. They have always known it.

We spread a sheet out over the grass

 

in which it’s already begun. Open a bottle

and make visions well up in a glass.

 

Toast parks and talk of centuries.

Look for a wild cry in the shrubbery.

© Maria Barnas

Aanbreken

Een man een vrouw een lengte een breedte.

We spreken. Richten ons tot elkaar.

 

In dit licht dacht ik. Op het moment dat het huis

voor de zon gaat staan en wij een zwerm

 

nerveuze vogels uit de keel zien breken

en in luidkeels zingen uitbarsten. Wij zingen.

 

Wij zingen om wat we radeloosheid zijn gaan noemen

die met de vogels in de struiken verstrikt raakte

 

onontwarbaar en zich steeds schraler

aan ons toonde om als lage vleugels schroeiende

 

lamp boven tafel te blijven hangen

waar tegensputterende kinderen van verhalen

 

overlopen met een begin en met een reden.

De bomen buigen zich naar ons toe.

 

Zij wisten het al. Zij hebben het altijd geweten.

Wij spreiden een laken uit over het gras

 

waarin het al begonnen is. Openen een fles

en doen visioenen klokken in een glas.

 

Stoten parken aan en spreken van eeuwen.

Zoeken een schreeuw in het struikgewas.

© Maria Barnas