The tall poet

by Maria Barnas


The tall poet

I came across the tall poet with a pretty

girlfriend on his arm and loosely the park.

 

She said nothing.

He lingered

 

so that it had to lead to a greeting

a question.

 

I made the first move: a movement of the head.

A loud sign of recognition

a small turn of the hand.

 

He said nothing.

 

And then I began.

 

I bled from a hundred word-wounds I chattered

and nattered and spattered

blathering words all over the tall poet.

 

I greeted all the family members and sought a grip

in limitless words if it was coincidence that

had brought us together and I digressed.

 

I persisted.

 

And his girlfriend

she

speechless.

 

I dragged on.

 

They nodded.

 

The park chafed and the street curled up

so as to go like a dying animal and lie under a bush

against which a man pissed

with jubilant horses on his belly.

 

Splashing and pinchbeck golden.

 

They moved on.

 

I – mortified.

© Maria Barnas

De lange dichter

Ik kwam de lange dichter tegen met aan zijn arm

de mooie vriendin en losjes het park.

 

Zij zei niets.

Hij talmde

 

zo dat het moest leiden tot een groet

een vraag.

 

Ik deed voor: een beweging van het hoofd.

Een hoog geluid van herkenning

een handomdraai.

 

Hij zei niets.

 

En toen begon ik.

 

Ik bloedde uit honderd woordwonden ik klotste

en kletste als Ilja Pfeijffer en kotste

kraaiende woorden over de lange dichter uit.

 

Ik groette al hun familieleden en zocht houvast

in oeverloze woorden of het toeval was

wat ons samenbracht en ik weidde uit.

 

Ik trachtte.

 

En zijn vriendin

zij

sprakeloos.

 

Ik torste.

 

Zij knikten.

 

Het park schrijnde en de straat krulde zich op

om als een stervend dier te gaan liggen onder een struik

waar een man met juichende paarden op zijn buik

tegenaan piste.

 

Klaterend en goud.

 

Zij schreden voort.

 

Ik schaamde.

© Maria Barnas