Too late

by Maria Barnas


Too late

I was biking through a quiet patch in the city

that then became houses where people live

together when loneliness hopped up onto the pillion

 

and said I’ll join you for a bit, I was going that way anyway.

It won’t work out I said. I still must find the first lines

of a letter. Goodbye.

 

I peeled a red apple and saw the pale flesh

so withdrawn there on the plate

I simply couldn’t eat it. Visualised the woman

 

you preferred to me and tried to imagine a

country I perhaps could go and live in.

Loneliness had tried out every chair

 

and had just gone to bed when you rang.

You looked so tired that I could ask you in.

But you had all that luggage. Cases full of lively

 

words too large and heavy to be carried.

The man speaks. Why won’t you let me in

is there someone in there perhaps?

 

No I lie. I’m on my own. I count how many

lies a person can come up with in a doorway

and suspect that something is missing.

© Maria Barnas

Te laat

Ik fietste door een kalmte in de stad

die langzaam huizen werd waarin mensen samen

wonen toen de eenzaamheid achterop sprong

 

en zei ik rijd een stukje met je mee ik ga toch die kant uit.

Het komt niet uit zei ik. Ik moet nog een begin vinden

voor een brief. Tot ziens.

 

Ik schilde een rode appel en zag het bleke

vlees zo in zichzelf gekeerd staan op een bord

dat ik het niet kon eten. Stelde me de vrouw voor

 

die jij boven mij verkoos en bedacht een ander

land om in te kunnen wonen.

De eenzaamheid had elke stoel geprobeerd

 

en lag net in bed toen jij aanbelde.

Je zag er zo moe uit dat ik je binnen kon vragen.

Maar je had veel bij je. Koffers vol beweeglijke

 

woorden te groot en te zwaar om te dragen.

De man spreekt. Waarom laat je me er niet in

is er soms iemand binnen?

 

Nee lieg ik. Ik ben alleen. Ik tel hoeveel

leugens een mens in een deuropening kan vinden

en heb de indruk dat er iets ontbreekt.

© Maria Barnas