Aha the Big Bang

by Maria Barnas


Aha the Big Bang

Aha the Big Bang, I hear myself say.

How can it possibly fit in my mouth?

The start of it all a lump on my tongue.

 

Quiet. Fear is a bird-flock that rests in a tree.

Or is it words that huddle together

ink-black on the branches. It is a form

 

of panic that wells up in me and bursts from my

throat like a flock on the rise. The cosmos

unfurls its wings. We flap, holler and shriek.

© Maria Barnas

Jaja de oerknal

Jaja de oerknal hoor ik mezelf zeggen.

Hoe is het mogelijk dat dit in mijn mond past?

Het ontstaan een klont op mijn tong.

 

Stil. Angst is een zwerm die rust in een boom.

Of zijn het woorden die zich inktzwart

op de takken verdringen. Het is een vorm

 

van paniek die opwelt in mij en als opvliegende

zwerm uit mijn keel breekt. Het heelal slaat

de vleugels uit. Wij klapwieken en juichen schril.

© Maria Barnas