A House of Air

by Maarten Inghels

A House of Air

This is the air in which we live.

Open air

lukewarm air,

steamy air

copper air,

compressor air,

valve air,

titan air,

whispered air,

mother air.


We are lodged in the air

of musty tent-cloth

and misty morning grass.

The air of a worn mattress

or damp cardboard (and our dog is wet).

We smell concrete air, herbal air,

nursing home air filled with farts and cabbage,


sewer air.


We stumble through

thunder air and rainy air.

And the air of midges, right! Air of midges!

Whirlwinds, fog banks, smoke screens.

Grey air of old iron and fine dust.


And dark air massed together.

Air of the rage of windy days,

it blows us apart like autumn leaves.


We were bored to silence

in the talkative air among passers-by,

their perfumed airs,

their lamented sighs.


Air that two lovers

breathed in and out of each other’s mouths or

the sticky air between the lovemaking bodies of two or more people.

The embracing air.


We smoke

motorized air,

lorry air,

car tyre air,

exhaust fume air,

burnt air.

Sometimes the air catches fire in our lungs.


Then we become

air sick,

air drunk,

air in the head

of imagined air,

sunset air,

fairy-tale air,

airy air.


We inhabit

ambulance air,

chemists’ air,

amputated air,

tortured air,

funereal air.


Our final breath of air

is groaning air.

Our roaming wander air.


With our coat full of holes we catch the melancholy air

from air balloons breathing out

imported from a desolate homeland,

mail order air,

foreign air.


We wait like chicks in the air

of hot air blowers over shop doors.

The air of stovepipes and cooker hoods.

Ventilator air in stinky summers.

Air from metro vents on which we grill ourselves like sausages.


Begged air in paper cups.

Stale-smelling second-hand air.

Discarded air is what we possess.


Our nose is our dog.

We wait for cooking air.

Cooking air! O, cooking air!


With knife and fork drawn

we stand guard

by cellar holes and doors ajar.

We sniffle, slobber, smack our lips:


breakfast air,

lunch air,

fare air.


The early bakery’s dough air brings water to our mouths!

The air of beef butchers and Chinese duck lacquers!

Screechy funfair air,

icing-sugared donut air,

warm candy waffle air.


We fill our bellies

with roasted air and fried air.

Together with a cup of hot coffee air.

Long live reheated air!

Our cheeks glow with so much aroma.


“We are so skinny, madam, sir.”


We read

the air like wet newspaper,

the adamantly lying air,

blue-teared air. Perforated air.

We are the true measurers of clouds.


The air in which we live

is free air,

the air of nothingness.

Air is what we will become.

Translation by Willem Groenewegen

Een huis van lucht

Dit is de lucht waarin wij wonen.

Open lucht,

lauwwarme lucht,









Wij logeren in de lucht

van benauwde tentzeilen

en bedauwd ochtendgras.

Lucht van een versleten matras

of vochtig karton (en onze hond is nat).

Wij ruiken betonlucht, kruidenlucht,

rusthuislucht vol prot en kool,




Wij strompelen door

onweersluchten en regenluchten.

En vliegjeslucht, ja! Vliegjeslucht!

Windhozen, mistbanken, rookgordijnen.

Grijze lucht van oud ijzer en fijn stof.


En donker samengepakte lucht.

Lucht van de razernij van winderige dagen,

ze waait ons als herfstbladeren uit elkaar.


Wij lopen met onze ziel onder de arm

door pratende lucht tussen passanten in,

hun geparfumeerde luchtjes,

hun gelamenteerde zuchtjes.


Lucht die twee geliefden

in elkaars mond in- en uitademen of

de plakkerige lucht tussen vrijende lijven van twee of meerdere mensen.

De omhelzende lucht.


Wij roken

gemotoriseerde lucht,




verbrande lucht.

Soms vat de lucht vlam in onze longen.


Dan worden wij



lucht in de kop

van ingebeelde lucht,





Wij bewonen



geamputeerde lucht,

gepijnigde lucht



Onze laatste ademlucht

is kreunende lucht.

Onze dolende zwerflucht.


Met onze jas vol gaten vangen we melancholische lucht

door uitademende luchtballonnen

vanuit een verlaten thuisland geïmporteerd,




Wij wachten als kuikens in de lucht

van warmteblazers boven winkeldeuren.

De lucht van kachelpijpen en dampkappen.

Ventilatorlucht in stinkende zomers.

Lucht uit metroroosters waarop wij ons als worstjes grillen.


In kartonnen bekertjes gebedelde lucht.

Muf ruikende tweedehands lucht.

Afgedankte lucht is wat wij bezitten.


Onze neus is onze hond.

Wij wachten op etenslucht.

Etenslucht! O, etenslucht!


Met getrokken mes en vork

vatten wij post

bij keldergaten en deuropeningen.

Wij snuffelen, smikkelen, likkebaarden:






Wij watertanden bij de broodlucht van vroege bakkertjes!

Lucht van biefstukslagers en Chinese eendenlakkers!

Schreeuwerige kermislucht,

bepoederde oliebollenlucht,

warme suikerwafellucht.


Wij eten ons buikje rond

met gebraden lucht en gebakken lucht.

Tezamen met een tas hete koffielucht.

Leve de heropgewarmde lucht!

Onze wangen blozen van zoveel aroma.


“Wij zijn zo mager, madame, meneer.”


Wij lezen

de lucht als nat krantenpapier,

de staalhard liegende lucht,

blauwe traantjeslucht. Gatenlucht.

Wij zijn de ware wolkenmeters.


De lucht waarin wij wonen

is de gratis lucht,

de lucht van niets.

Lucht is wat wij worden.