LAUNDROMAT DE NETEZON

by Charlotte Van den Broeck


LAUNDROMAT DE NETEZON

My mother cries when she does the wash.


It’s the perfect moment for mothers to cry

because the revolving drum of a washing machine

generally makes quite a racket.

I can still hear her sobs, but so quietly

they really could be just ambient noise.


A washing machine licks the day’s wounds.

You can put anything in it that doesn’t fit in your head.

Unused sheets for example.

Or the tobacco smell in the coat of your grandfather with throat cancer.

Long cycle, sixty degrees, cleansing ritual.


I spent ages thinking it was unfair that I had a crying mother.

As though I had to go to school carrying a heavier bag

and whenever we played drop the handkerchief

I’d briefly think that the hanky was for my mum.


I made sense of the phenomenon of the ‘crying mother’ by guessing

there was not enough water, that this was why she’d stare into the washing machine

thinking long and hard about dead pussy cats, long enough

for her to be able to do the washing with her tears.

I grew up with salt stains on my clothes. 

Translated from Dutch by Michele Hutchinson

Wasserette de Netezon

Mijn moeder huilt wanneer ze wast.

Dat is een uitgelezen moment voor moeders om te huilen
omdat de ronddraaiende trommel van een wasmachine
over het algemeen veel lawaai maakt.
Ik kan haar wel horen snikken, maar slechts zo zachtjes
dat het omgevingsgeluid zou kunnen zijn.

Een wasmachine likt de wonden van de dag.
Je kan er namelijk alles instoppen, wat niet in je hoofd past.
Onbeslapen lakens bijvoorbeeld.
Of de tabaksgeur in de jas van je grootvader met keelkanker.
Lang programma, zestig graden, reinigingsritueel.

Ik heb het lang oneerlijk gevonden, dat ik een huilende moeder had.
Alsof ik naar school moest met een zwaardere boekentas
en ik bij zakdoek leggen altijd heel even dacht, dat die zakdoek voor mijn moeder was.

Het fenomeen van ‘de huilende moeder’ verklaarde ik vanuit het vermoeden
dat er niet genoeg water was, dat ze daarom in de wasmachine staarde
en heel lang en geconcentreerd aan dode poesjes dacht, zo lang
tot ze met haar tranen de was kon doen.

Ik ben opgegroeid met zoutkringen in mijn kleren.